.

Meditatie > Boeddhisme > Geschiedenis > Dumoulin Japan > Uitbreiding

B Uitbreiding en werking tot het eind van de Middeleeuwen (2)

IV De 'Vijf Bergen' van de Rinzai-school

Door inordening in het systeem van de 'Vijf Bergen' (Gozan), 'Tien Tempels' (jissetsu) en een aantal grotere tempels (shozan), begunstigde en beïnvloedde de staat in de Muromachi-tijd een groot deel van de Rinzai-school. De aanvangen van het systeem van de 'Vijf Bergen' lagen al in de Kamakura-tijd, maar kwamen pas tot voltooiing onder de Ashikaga's. De ranglijst van kloosters hierin werd meermaals veranderd; zo werden bijv. bij het begin van deze nieuwe tijd de kloosters in Kyoto bovenaan gesteld. Pas in 1386 kwam de lijst definitief vast te liggen. De 'Tien Tempels' waren grote en invloedrijke tempels in steden en op het land. Zij genoten van de zijde van de staat privileges, in ruil waarvoor zij de militaire regering geld betalen en diensten verlenen moesten. Het aantal van deze tempels was niet precies tien, maar wel beperkt. Ter controle van dit drievoudige systeem richtte de staat een bureaucratisch apparaat in. In 1379 werd het ambt van 'soroku' ingesteld. Dit was een Zen-monnik, die voortaan het hoogste gezag uitoefende over de bij het systeem aangesloten kloosters en tempels. Doordat het gozan-systeem ook op het platteland invloed had, kon de centrale regering hier via de tempels economisch en politiek invloed uitoefenen. De monniken werden verder door het Shogunaat ingezet als diplomaten (vanwege hun hoge vormingsgraad en goede manieren) en als mensen die opstandige elementen tot rust moesten brengen. Voorts bleken zij zeer vaardige handelsmensen te zijn, die de staat veel voordeel brachten.

De beroemdste man uit deze tijd is 'Landsheer Kokushi': Muso Kokushi (1275-1351). Zijn naam is vooral verbonden met de twee hoofdtempels van de hoofdstad, Tenryuji en Shokokuji. Hij stichtte vele tempels en onderwees duizenden leerlingen. Zeven verschillende keizers hielden hem in hoog aanzien. Hij blijft een zeer raadselachtige persoonlijkheid. Hij begon met een tienjarige verblijf in een Shingon-tempel. Toen zijn meester een zeer pijnlijke dood stierf, begreep hij dat geleerdheid alleen geen antwoord kon geven op vragen van leven en dood. Vanaf 1293 begon hij zich daarom na een droomgezicht (muso) op Zen toe te leggen. Hij gaf zichzelf de naam Muso Soseki. Hoewel hij wel meesters ontmoette, moest hij zijn weg tot verlichting alleen en zonder hulp vinden. Hij had een grote voorliefde voor de eenzaamheid en de natuur. De atmosfeer van de hoofdsteden bedrukte hem. Hij maakte vele zwerfreizen door het land. Na zijn verlichtingservaring (1305) trok hij zich lange tijd terug in zijn geliefde district Kai. Meester Kennichi in Kamakura had hem tot zijn Dharma-erfgenaam gemaakt, maar Muso voelde niets voor een carrière in de toenmalige hoofdstad. Hij mediteerde veel in eenzame kluizenarijen. In 1325 werd hij op bevel van de keizer, waaraan hij zich niet kon onttrekken, abt van het Nanzenji in Kyoto. Na één jaar trok hij zich al weer reeds terug, waarschijnlijk omdat hij voelde dat er een tijd van heftige machtsstrijd tussen keizer en regenten zou uitbreken. De Ashikaga's profiteerden van deze machtsstrijd, waardoor in 1336 de Muromachi-tijd aanbreekt. Voor een tweede keer wordt Muso abt van Nanzenji, maar weer onttrekt hij zich snel daaraan. Muso was politiek bewust in zijn contacten; hij legde in de overgangstijd een uitgebreid netwerk van contacten met belangrijke personen uit verschillende kampen; hij gedroeg zich correct tegenover de keizer én maakte iemand uit het huis van de Ashikaga's tot zijn vriend. Toch was hij niet een simpele opportunist: hij probeerde voortdurend te bemiddelen en de verschillende partijen te verzoenen.

Ontevreden over de inzet van Zenmonniken in zijn tijd schreef hij een verzameling van regels voor monniken en kloosters. Hij was tegen een overlast van rituelen. Voorts eiste hij vier uur meditatie per dag (terwijl er alom geroepen werd om vermindering van de meditatie-last), wat in latere tijd in Zenkloosters gebruikelijk zou worden. Hij vond dat een wetenschappelijke studie van de sutra's gelijkberechtigd was aan de koanstudie. Beide zijn op zichzelf beoefend eenzijdig; ze dienen elkaar aan te vullen. Hij preekte zelf veel over de sutra's. Een woord van hem: "De sutra's uitleggen is over Zen spreken." Dit riep natuurlijk verzet op, omdat in het uit China geïmporteerde Zen koans de hoofdrol innamen. Maar, zegt Muso, de koan is slecht een hulpmiddel en daarom niet absoluut; en de hulpmiddelen moeten aan de tijdgeest aangepast worden. Trouwens, alle gebeurtenissen uit het dagelijkse leven kunnen als middel tot het oefenen van Zen gezien worden; meditatie beperkt zich niet tot het kussen. Ook de sutra's zijn hulpmiddelen van Boeddha, evenals de andere boeddhistische sectes. Alles is immers vergankelijk, ook de middelen. Laat ieder die heilsweg uitzoeken, die bij hem past.

De Zen-literatuur, in de voorgaande tijd religieus geïnspireerd, werd in de Muromachi-tijd in toenemende mate door wereldlijke literatuur beïnvloed, en verwierf zich als profane literatuur een vooraanstaande plaats in de Japanse cultuur. Ook de beoefening van geschiedenis en filosofie, en het hele scholingswezen hebben hun centrum in de beweging van de 'Vijf Bergen'. Omdat bijna alle dragers ervan in kloosters van het Gozan-systeem woonden, wordt deze periode ook wel 'cultuur der Vijf Bergen' genoemd. Zij hadden nauwe banden met de hofadel en met de beambten die door de Ashikaga's ingesteld waren. Muso Soseki, alhoewel zeer artistiek begaafd, laat zich niet bij deze beweging indelen, omdat hij te zelfstandig was. De literaire Gozan-beweging werd sterk Chinees beïnvloed. Twee Chinese meesters speelden hierin de hoofdrol. I-shan I-ning (1247-1317) dichtte vooral omwille van de kunst; de religieuze boodschap trad bij hem op de achtergrond. Vele beroemde Japanse dichters zijn bij hem in de leer geweest. Ku-lin Ching-mu (1262-1329) is nooit in Japan geweest, maar oefende via leerlingen daar op artistiek gebied desondanks grote invloed uit. Hij beoefende een strenge vorm van Zen en had een hekel aan de wereldlijke Zenkunst uit de Sung-periode. Zijn gedichten vertegenwoordigen de zog. 'geju-stijl', die boeddhistische onderwerpen tot onderwerp nam.

Tot aan het einde van de 14e eeuw is de Gozan-beweging, ondanks de wereldlijke elementen die binnenkomen, toch nog een echte Zenbeweging. Zen en de koans werden ernstig beoefend; men verdiepte zich wetenschappelijk in de Chinese cultuur (e.g. het Confucianisme); voltrekking van Mikkyo-rites (de geheimrites van Shingon) was algemeen gebruikelijk. De bureaucratische verstijfing en de invloed van de hofadel hadden religieuze kant van de beweging nog niet verstikt. Maar tegen het eind van deze eeuw gaat de Rinzai-school, en m.n. de Gozan-beweging een nieuwe fase in. In China speelde zich toen de bloedige overgang van de Yüan- naar de Ming-dynastie af, wat ertoe leidde dat er na 1351 geen Chinese meesters meer naar Japan kwamen. In eerste instantie verslapte daardoor de Zenoefening in Japan; naderhand nam ook de interesse voor de Chinese cultuur af. Vanaf begin 15eeuw nam de macht van de Ashikaga's af, doordat de leenheren onbekommerd om het centrale gezag bloedige oorlogen uitvochten, en de familie intern door twisten gespleten werd. In het midden van deze eeuw hadden de Ashikaga's nog wel de macht, maar die was sterk verminderd. Het lot van de Gozan-beweging was verbonden met dat van de Ashikaga's. Ook hier begonnen zich nu veranderingen voor te doen. De Gozan-meesters waren meer literaten dan monniken, en vaak ook meer geleerden dan dichters. Zij beoefenden de literatuur om haarzelfswille, en conventie kreeg de overhand boven artistieke creativiteit. Men bestudeerde Chinese klassieken en geschiedenis en becommentarieerde die. De monniken speelden een grote rol in het onderwijs. Op het platteland brachten boeddhistische priesters het eenvoudige volk de kunst van het lezen en schrijven bij, en onderwezen hen in het Confucianisme. Vanaf midden ging het politiek en cultureel snel bergafwaarts. De bloedige Onin-oorlog (1467-1477) maakte een eind aan het Ashikaga-Shogunaat. Hierna, en min of meer de hele daaropvolgende eeuw(!) verkeerde het land in een toestand van burgeroorlog om de machtsopvolging. Bijna alle tempels van de hoofdstad vielen aan de vlammen ten prooi. In de 16e eeuw waren de boeddhistische kloosters totaal verwereldlijkt, wat zich niet alleen uitte in de literaire en artistieke activiteiten, maar ook in de levensstijl. Er heersten vele misstanden: rivaliteit, winstbejag, verslapping van de tucht, uiterlijke poeha etc.

Samenvattend: In de eerste periode van de Gozan-beweging had de echte Zen-stijl nog de overhand. Pas in de tweede periode neemt de Chinese profane literatuur de overhand. Maar ook dan nog is er het positieve feit van de bijdrage aan de algemene ontwikkeling van het volk. Met het vallen van het Ashikaga-Shogunaat is dan ook de Gozan-beweging totaal verloederd.

Alle vormen die verschijnen Bevatten het zaad van verdwijnen
- Ursula K. LeGuin -

Chödrön, Pema: Gerust in onzekerheid
108 Spirituele leringen
Cover van Gerust in onzekerheidDit is één van de mooiste en meest inspirerende boeken die ik ooit gelezen heb. In 108 hoofdstukjes - die meestal niet meer dan 2 à 3
Meer...

WaalWeb Internetproducties
Zinrijk Webtechniek
© 2006-7

 

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.