.

Meditatie > Boeddhisme > Geschiedenis > Dumoulin Japan > Inplanting

A De inplanting van Zen in Japan (3)

II Dogen (1200-1253)

Zijn ouders behoorden waarschijnlijk tot de hofadel. Op zevenjarige leeftijd had hij reeds beide ouders verloren, wat hem een diep gevoel voor de vergankelijkheid van alle dingen gaf. In zijn beginjaren als monnik (hij trad op 12-jarige leeftijd in) behoorde hij tot de Tendai-school. Hier werd het een kwellende vraag voor hem, waarom men naar verlichting moet verlangen en daarvoor oefenen, wanneer men al in het bezit van de Boeddha-natuur is. Nergens kon hij een bevredigend antwoord vinden, hij hoopte dat in China wel te vinden. Een oude kok leerde hem daar in 1223 dat alle dagelijkse verrichtingen Zen kunnen zijn (achtergrond: 4e en 5e Patriarch, Po-chang). Hij ontmoette Rinzaimeesters en raakte vertrouwd met het gebruik van koans. Toen hij al bijna opgeven wou in 1225, ontmoette hij zijn meester, T'ient'ung Ju-ching (1163-1228), die uit de Soto-school stamde. Ju-ching legde grote nadruk op het langdurige zitten in meditatie en op ascese. Dogen raakte tot verlichting op een woord van de meester: "Bij Zen zijn lichaam en geest weggevallen!" Ook hierna bleef hij nog ijverig oefenen; later zou hij veel belang hechten aan de oefening ná de verlichting. Na zijn terugkeer werkte hij jarenlang in tempels in de omgeving van Kyoto. Zijn belangrijkste leerling was Koun Ejo (1198-1280), die hem tot grote steun zou zijn in zijn literaire activiteiten (m.n. als redacteur van de Shobogenzo). Omdat zijn succes in de omgeving van Kyoto de jalouzie van Tendai-monniken opriep, en omdat door de inspanningen van Enni Ben'en Kyoto tot een Rinzai-centrum was geworden, besloot Dogen in 1243 zich terug te trekken op het platteland. Hier ontstond het beroemde Eiheiji ('tempel van de eeuwige vrede').

Het levenswerk van Dogen is de Shobogenzo, een uit 92 delen bestaande serie boeken, die zich in verschillende stadia van redactie door Dogen bevinden. Alle aspecten van het dagelijks leven worden hierin van de Boeddha uit bekeken, een perspectief dat in Zazen geactualiseerd wordt. Het werk is door en door Japans van aard, alhoewel het waarschijnlijk als basis Chinese teksten heeft gehad, die door Dogen getransformeerd zijn tot iets nieuws. Door de vrije omgang met grammatica en syntax is het soms zeer moeilijk te vertalen, en zijn er soms meerdere vertalingen mogelijk. De titel van het werk betekent zoiets als 'het oog van de ware Wet' (genitivus subjectivus en objectivus). Het oog is het oog van de verlichting, dat de werkelijkheid schouwt in zijn eenheid, en dat het oog van de Boeddha is. Deze manier van waarnemen van de werkelijkheid is hét centrale thema van dit werk. De ware wet (Dharma) is de Boeddha als degene die alle werkelijkheid omvat. Van dit standpunt van de ware Dharma uit gezien doen de onderscheidingen tussen de verschillende boeddhistische scholen er niet meer toe, zij zijn er alle uitdrukkingen van. Zo heeft Dogen vanuit een transcendent standpunt ook ruimte voor heilige geschriften en rituelen, alhoewel hij er soms ook tegen polemiseert. Hij haatte het dat er in het boeddhisme en ook binnen de Zenbeweging splitsingen tussen verschillende sectes bestonden. Dat zag hij als een vorm van verstarring en veruiterlijking.

Voor Dogen is Zazen (enkel Zen = shikan taza) dé oefening zondermeer, waarmee men terugkeert tot de pure overlevering van de Boeddha's en Patriarchen. Maar Zen is niet aan een aparte school binnen het boeddhisme gebonden! De ontwikkeling in de T'ang- en Sung-tijd in China, waarin Zen zich als een secte ging afscheiden, verwierp hij. Het zitten in Zen zag hij als de natuurlijke houding van de mens, een bron van grote rust, vreugde, wakkerheid en een natuurlijk evenwicht. Dogen vindt het van groot belang dat de zittende 'absichtslos' is, er niet naar streeft een Boeddha te worden. Zo leeft men enkel in de toekomst, en niet in het heden, terwijl men juist ín het zitten een Boeddha is. In de ware houding hecht men zich aan niets wat innerlijk opkomt. Gemoedsbewegingen, vooral toorn, ergernis en egoïstische gevoelens verdwijnen; deze toestand is geen voorbereiding, maar is zelf al verlichting. Het is een niet-denken dat boven denken of niets denken uitgaat. Men wéét, zonder dat men bewust de dingen tot object van het kennen maakt, en men hecht zich niet aan de verlichting. De mens is oorspronkelijk reeds verlicht, maar heeft oefening nodig om deze daarin tot uitdrukking te brengen, te laten doorbreken. Oefening en verlichting vallen samen, maar zijn tegelijkertijd te onderscheiden. De verlichte laat in zijn oefenen de oorspronkelijke verlichting tot ontvouwing komen. Volgens het Nirvana-sutra hébben alle levende wezens de Boeddha-natuur; volgens. Dogen zíjn alle levende wezens Boeddha-natuur. Maar Dogen breidt dit nog uit: niet alleen de levende wezens zijn Boeddha-natuur; dit geldt voor de héle werkelijkheid. Verder accepteert hij ook niet de beperking die in de klassieke Mahayana-leer, vooral in de Yogacara-school, werd gehanteerd, nl. dat de Boeddha-natuur als een soort kiem in de wezens aanwezig zou zijn, zich nog van potentialiteit naar actualiteit zou moeten ontvouwen. Alles, zoáls het is, is voortdurend de volledige Boeddha-natuur. Deze natuur is niet een soort eeuwig, substantieel zelf. Omdat de Boeddha-natuur identiek is met de hele werkelijkheid, is hij ook identiek aan veranderingen en vertroebelingen van het bewustzijn, en is hij zelf ook vergankelijk, anders zou hij niet ware Boeddha-natuur zijn!!! De Boeddha-natuur is dus dynamisch. Hij is niet iets naast of onder de werkelijkheid, ook al is hij niet met ogen of oren waar te nemen, en is hij niet in woorden uit te drukken. Dus anderzijds transcendeert hij de werkelijkheid ook. Dogen spreekt dan ook vooral in negatieve termen over de Boeddha-natuur, en staat daarmee in de lijn van de 4e patriarch. De Boeddha-natuur heeft men niet vóór de verwerving ervan, maar is manifest tegelijkertijd met de verwerving ervan => dynamisering, die conceptualisering uitsluit.

Bij de metafysiek van Dogen hoort ook de theorie over 'zijntijd' (uji). Zijn en tijd zijn identiek, en alles is zijntijd. Het Boeddha-lichaam is bijv. identiek aan de twaalf uren van de dag. Het nu ontvouwt zich in het al, doordringt alle dingen, net zoals het zelf zich ontvouwt in de veelheid der dingen. Dingen, de tijd en het zelf zijn identiek, niet gescheiden; alles is één eeuwig nu. In één seconde is het al aanwezig.

Een ander element in de metafysiek van Dogen is het geloof. Het geloof is identiek aan de oorspronkelijke verlichting en aan het oefenen. Het geloof is niet een vooraf of een vrucht van eigen inspanning, maar is gelijk met de oorspronkelijke verlichting aanwezig. Geloof is zich ontplooiende Boeddha-natuur, dat de oefenende voortstuwt op de weg van de Boeddha. Geloof is dus een voorwaarde voor het gaan van de weg, en voert tot verlichting.

Een zeer belangrijk thema voor Dogen is het monnikschap. In China was hij onder de indruk geraakt van de strenge ordestucht. Daarom was naderhand één van zijn grote idealen de verwerkelijking van het volkomen monnikschap in Japan. Volgens. Dogen is het bereiken van Boeddha-schap enkel mogelijk door het verlaten van het thuis en het op zich nemen van de geboden, d.w.z. door monnik te worden. Hiermee stelt men zich in de lijn van de Boeddha's en Patriarchen. Het monnikschap is voortreffelijker dan het leek-zijn, ook nog in het geval dat de leek de geboden zou opvolgen en de monnik ze zou overtreden. Maar de monnik die kwaad doed is geen ware monnik. Het monnikschap heeft een transcendente betekenis. Het is geen verdienste van het ik en is er niet ten eigen bate, maar is een uitwerking van het Boeddha-schap dat in het monnikendom verder gegeven wordt. Omdat oefening en verlichting één zijn, en omdat het hele alledaagse leven oefening is, is verlichting dus ook met het alledaagse leven verbonden. Daarom is voor Dogen elk detail van het kloosterleven, hou klein ook, van eminent belang, omdat het geheel erin vervat ligt. Hij geeft dan ook gedetailleerde aanwijzing voor het verloop van het dagelijkse leven. Voor het geestelijk welbevinden van de monniken was er een leeszaal (in de meditatie-hal was lezen absoluut verboden). Aan het ambt van kok heeft Dogen een apart boek gewijd, omdat deze het ideaal van het Zen-monnikendom bij uitstek belichaamt, nl. iemand, die zelf verlicht, zich in dienst van de anderen stelt, en zich in toch in zijn gedrag niet van hen onderscheidt. Hij is volledig aandachtig, en toch onthecht van zijn arbeid, en leeft daarin zijn relatie tot het Absolute.

Dogens devotie werd in sterke mate gevoed door het Lotus-sutra. Dit sutra zag hij als de oorsprong van alle andere sutra's. Daaruit putte hij ook zijn grote verering voor de 'drie juwelen', Boeddha als de grote leraar, de Dharma als het goede heilsmiddel, en de Sangha als een groep van voortreffelijke en behulpzame vrienden. Het oefenen zelf is één van de vormen van het eer brengen aan de Boeddha. De verering mag nooit een vorm van vastkklampen worden, evenmin als het routinematig verricht mag worden. Ondanks zijn bewustzijn van de leegte van alles (achtergrond: Mahayana) is Dogen dus een door en door religieus mens.

Ik vroeg de nacht: wijs me de weg naar het licht - ze antwoordde: volg me.
- Carla Pols -

Chödrön, Pema: Gerust in onzekerheid
108 Spirituele leringen
Cover van Gerust in onzekerheidDit is één van de mooiste en meest inspirerende boeken die ik ooit gelezen heb. In 108 hoofdstukjes - die meestal niet meer dan 2 à 3
Meer...

WaalWeb Internetproducties
Zinrijk Webtechniek
© 2006-7

 

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.