.

Mystiek > Over mystiek > Bezinningsteksten > Christendom

Christelijke mystieke teksten

De oceaan die de Godheid is

Het oog waarin ik God zie, is hetzelfde oog waarin God mij ziet. Mijn oog en Gods oog, dat is één oog en één zien en één liefhebben.

- Meister Eckhart (ca. 1260 - 1328) -

De schat in de akker

Geciteerd in: W. Jäger, 'De mystieke weg: traditie en ervaring', Nijmegen 1984, p.45-6.

Als een meester een beeld maakt uit hout of steen, dan brengt hij het beeld niet in het hout, maar snijdt hij het overtollige hout weg dat het beeld verborgen en bedekt houdt, hij gééft het hout niets, maar hij graaft de korst ervan af en neemt de roest weg, en dan glanst op wat daaronder verborgen lag. Dit is de schat die verborgen lag in de akker, zoals onze Heer in het evangelie zegt (Mt.13:44).

- Meister Eckhart (ca. 1260 - 1328) -

Zijn vs. doen

De mensen zouden niet zo veel moeten nadenken over wat ze moeten doen; ze zouden veel meer moeten nadenken over wat zij zijn. Zouden zij goed zijn en zou hun levenswijze goed zijn, dan zouden zij licht uistralen, en dan zou er een heerlijk licht uitgaan van al hun werken. Als je rechtvaardig bent, dan is ook wat je doet rechtvaardig. Denk niet dat je heiligheid kunt grondvesten op daden; veeleer groeit heiligheid uit de grond van je hele wezen. Want niet de daden heiligen ons, maar wij moeten de daden heiligen.

- Meister Eckhart (ca. 1260 - 1328) -

De bedoeling van Gods geschenken

Vertaling van: "Meister Eckhart, a Modern Translation", Translated by Raymond Blakney, New York, Harper & Row 1941, p.32.

Met al Zijn geschenken heeft God maar één doel op het oog: ons voorbereiden op het Geschenk dat Hij zelf is. En al Zijn werken - al het werk dat Hij ooit verrichtte in de hemel of op aarde - verrichtte hij alleen maar om dit nog hogere doel te verwezenlijken: dat ons geluk volmaakt zou worden. Daarom, zeg ik, moeten wij leren om voorbij en doorheen het geschonkene en voorbij en doorheen de gebeurtenissen naar God zelf te kijken, en nooit tevreden te zijn met het ding op zichzelf. Er is geen eindpunt in dit leven [waar God zou ophouden ons te verrassen met nieuwe geschenken; AP] - nee, noch was zo'n eindstation er ooit voor wie dan ook, hoe ver hij of zij ook gereisd zou mogen hebben. Sta daarom boven alles elk moment open voor de geschenken van God en wees altijd bereid om weer nieuwe geschenken van Hem te ontvangen.

- Meister Eckhart (ca. 1260 - 1328) -

God is dichtbij én veraf

Op wonderlijke wijze bent U overal dicht bij ons;
U werkt in ons, Heer, en U blijft verborgen.
U bent daar in de hoogte en de hoogte voelt U niet;
U bent daar in de diepte
en de diepte kan U niet omvatten.
U bent ongrijpbaar als wij U zoeken.
U bent dichtbij én veraf.
Wie kan U bereiken?
Ons denken en onze zintuigen raken U niet:
alleen in geloof, liefde en gebed
komen wij U nader.

- Efraïm de Syriër (ca. 306 - 373) -

Leven in Gods hoge licht

Uit: Oosterse Renaissance. Kritische reflecties op de cultuur van nu, uitg. Ambo, Baarn 1970, p.67

Wie God eenmaal heeft ontmoet, vindt de vraag naar het hiernamaals niet interessant meer. Wie geleerd heeft in het Hoge Licht te leven, is niet meer gekweld door het probleem of het Licht er morgen ook nog zal zijn. In het hoofd van een kind, dat leeft onder de goede zorgen van zijn moeder, komt het niet op om te vragen of zijn moeder ook morgen nog wel voor hem zal zorgen.

- Han Fortmann -

O Gij, alles voorbij

Gevonden in: J. Streng, Voorbij het denken. Verkenningen in de westerse mystiek, Baarn 19822, p.62-63.

O Gij, alles voorbij,
hoe u anders noemen?

Hoe kunnen woorden u prijzen:
Gij die door geen woord te zeggen zijt.
Hoe kunnen gedachten u bereiken,
Gij die door geen denken te grijpen zijt.

Gij, Enige, Onuitsprekelijke,
alwat gezegd wordt komt van U.
Gij, Enige, Onkenbare,
alwat gekend wordt komt van U.

Alwat spreekt en alwat niet spreekt, prijst u.
Alwat denkt en alwat niet denkt, eert u.
Hunkeringen overal, barensweeën overal,
alles reikhalst naar U, alles bidt tot U,
terwijl al wat uw geheim doorgrondt
een lied vol stilte zingt.

Bij U alleen blijft alles bewaard,
op U hoopt alles,
Gij zijt het doel van alles
Gij zijt één
Gij zijt alles
Gij zijt niemand
Gij zijt geen een
Gij zijt niet alles.

O Gij die alle namen draagt
Hoe zal ik U noemen?
Gij Enige Onnoembare
Welke hemelgeest dringt door
tot het bovenste wolkendek?

Wees mij genadig,
O Gij alles voorbij.
Hoe U anders bezingen?

- Gregorius van Nazianze (329/30 - 390) -

Gods eindeloosheid

Vrij vertaald uit: E. O'Brien, 'Varieties of Mystic Experience', New York/Toronto/Londen 1965, p.47.

Om dit idee (dat wat de ziel wèl van God weet verre overtroffen wordt door datgene wat zij niet weet) een beetje helderder te maken, zal ik het illustreren met een vergelijking. Het is net alsof je die bron ziet waarvan de Schrift ons vertelt dat zij in het begin der tijden in zulke hoeveelheden stroomde, dat zij het hele oppervlak van de aarde met water bedekte (Gen. 2:10vv). Als je die bron zou naderen, zou je verwonderd raken, wanneer je zag dat het water eindeloos was, zonder ophouden opwellend en uitstromend. Toch zou je nooit kunnen zeggen dat je ál het water gezien had. Hoe zou je immers het water kunnen zien dat nog in de aarde verborgen was? Daarom, hoe lang je ook bij de bron mocht blijven, je zou altijd nog maar net beginnen het water te zien. Want het water houdt nooit op met stromen, en het begint steeds opnieuw op te wellen.
   Hetzelfde is het geval met iemand die de oneindige schoonheid van God schouwt. Hij zal die schoonheid voortdurend opnieuw ontdekken, en altijd zien als iets nieuws en wonderbaarlijks in vergelijking met dat wat hij reeds eerder gezien had.

- Gregorius van Nyssa (331/40 - ca.395) -

Het zoetste in minne zijn haar stormen

Hadewijch, Mengeldichten of rijmbrieven. Hertaald door M. Ortmanns-Cornet, ingeleid door W. Corsmit, Brugge 1988, p.44.

Het zoetste in Minne zijn haar stormen
in haar diepste afgrond liggen haar hoogste vormen;
in haar verdolen is bij haar vertoeven,
naar haar hongeren is zich voeden, haar proeven;
om haar vertwijfelen is zeker wezen;
haar scherpste wonden doen genezen;
om haar vergaan is verder leven;
als zij verzwindt blijft zij zich geven;
haar te ontberen doet ons goed;
verborgen verlicht zij ons gemoed;
in haar nemen schuilt haar schenken;
woordeloos zijn haar mooiste wenken;
door haar geboeid zijn we bevrijd;
hoe zij ook slaat, zij troost altijd...

- Hadewijch -

Harmonie der tegenstellingen

Honorius schreef deze tekst (die ik vond in het boek "Original Blessing" van Matthew Fox) in 1125.

Alles in Gods schepping geeft wie ernaar kijkt groot genoegen. Want sommige dingen, bijv. bloemen, zijn mooi om te zien; andere dingen, bijv. kruiden, bieden genezing; weer andere dingen, bijv. de oogst, kunnen dienen als voedsel; en er zijn ook schepselen, bijv. slangen en vogels, vol diepere symboliek... De grote Kunstenaar heeft het universum geschapen als een prachtige cyther, en door op de snaren daarvan te spelen riep hij heel diverse geluiden in het leven... Een harmonieus akkoord klinkt op uit [het samenspel van] geest en lichaam, engel en duivel, hemel en hel, vuur en water, lucht en aarde, zoet en zuur, zacht en hard, en op dezelfde manier worden ook alle andere dingen in harmonie met elkaar gebracht.

- Honorius van Autun -

Pax

Het enige dat ertoe doet is vereend te zijn met de levende God,
een schepsel te zijn in het huis van de God van het Leven.

als een kat slapend op de stoel
bij de vrede, in vrede

en één met de heer van het huis, met de vrouw des huizes,
thuis, op je gemak in het huis van de levenden,
slapend boven de haard en geeuwend voor het vuur.

Slapend boven de haard van de levende wereld
geeuwend, thuis bij het vuur van het leven
de aanwezigheid van de levende God ervarend
als een grote geruststelling
een diepe kalmte in het hart
een aanwezigheid

als die van een meester aanzittend aan zijn dis ["sitting at the board"]
in zijn eigen en groter zijn,
in het huis van het leven.

- D.H. Lawrence -

Uyt der diepten quamt Gy uytwaarts dringen

Uit: V. van Vriesland, Spiegel van de Nederlandse poëzie, I, Amsterdam 1965, p.342.

Ick meende oock de Godheyt woonde verre,
In ene troon, hoogh boven maen en sterre,
En heften menighmael myn oogh
Met diep versuchten naer om hoogh;
Maer toen ghy u beliefden t'openbaren,
Toen sagh ick niets van boven nedervaren;
Maer in den grondt van myn gemoet,
Daer wiert het lieflyck ende soet
Daer quamt ghy uyt der diepten uytwaarts dringen.
En, als een bron, myn dorstigh hart bespringen,
Soo dat ick u, ô Godt! bevondt,
Te zyn den grondt van mynen grondt.
Dies ben ick bly dat ghy myn hoogh beminden,
My nader zyt dan al myn naeste vrinden.
Was nu alle ongelykheyt voort,
En 't herte reyn gelyck het hoort,
Geen hooghte, noch geen diepte sou ons scheyden,
Ick smolt in Godt, myn lief; wy wierden beyde
Een geest, een hemels vlees en bloedt,
De wesentheyt van Godts gemoedt,
Dat moet geschien. Och help getrouwe Heere,
Dat wy ons gantsch in uwen wille keeren.

- Jan Luyken (1649-1712) -

Alles is liefde

Gedicht "samengesteld" door Lovis van den Boom. Toelichting door Lovis ("Schijngestalten", 2000):

Naar aanleiding van het boek: "Vriend Pieter" van Albert Helman (uitg. N.V. Orbis, Antwerpen-Beveren) over het leven van Pieter van der Meer de Walcheren maakte ik (letterlijk) een gedicht: "Alles is Liefde". Eigenlijk is het een bewerkt samenraapsel van negen citaten uit dat boek, terwijl de titel ontleend is aan een boek van Pieter van der Meer. Het aardige is dat het gedicht associaties oproept met het gedicht "Le secret" van Thomas Merton, waarvan ik indertijd een hertaling maakte voor "Mertonvrienden", en het gedicht van Juan de la Cruz: "Ik ging binnen waar ik niet wist", waarvan ik eveneens een eigen-zinnige hertaling maakte.

(In memoriam Pieter van der Meer)

Het geloof reikt als de
zwarte, naakte rotsen van
het Andes-gebergte naar
God's onbereikbaarheid.

De zon gaat onder
in wonderlijke stilte
en alles rilt van leven.

De geest brandt als een
donkere, zwarte vlam
een alles verterend vuur
zonder een sprankje licht.

Als vurige bourgogne
doorgloeit God's liefde
alles wat er - even - is.

Zo heb ik het mysterie
van het lichaam ontdekt:
het is de kosmos, doorlicht
van zwart goddelijk vuur.

Nu dans ik mijn weg
- zo heerlijk en vrij -
langs verre galaxieën

die zich onzichtbaar
klein maar hoe lichtend
wentelen in de stilste
diepte van mijn gebed.

Ik klim omhoog langs
aardse meridianen over
oceanen en continenten

om toch weer te belanden
- hoe kan het anders -
in het wilde spel van
het leven van de mens.

Daarin is God mateloos
liefdevolle intelligentie,
creatieve essentie van al.

Onbegrepen door filosofen
en geleerde theologen,
maar geraakt door mensen
levend in Zijn liefde.

- Lovis van den Boom -

God kennen

Uit: Thomas Merton: "Bread In The Wilderness", Liturgical Press, Collegeville, MN 1971, p.166.

God wordt niet volledig gekend wanneer hij enkel "gekend" wordt met het verstand. Hij wordt het best gekend door ons wanneer Hij bezit neemt van heel ons zijn en ons met Zichzelf verenigt. Dan kennen we Hem niet als een idee maar voorbij aan alle ideeën, in een liefdescontact, in een ervaring van Wie Hij is, in een realiseren dat Hij en alleen Hij ons leven is en dat we zonder Hem niets zijn. Het is onze vreugde om niets te zijn, en te weten dat Hij alles is.

- Thomas Merton -

Ik zal God prijzen, mijn Beminde

Uit: 'All Desires Known', Londen 1988, p.50; vert. Mary Grey.

Ik zal God prijzen, mijn Beminde,
want zij is in alle opzichten beminnelijk.
Haar aanwezigheid bevredigt mijn ziel;
zij vervult mijn zinnen tot overvloed toe
zodat ik niet kan spreken.
Haar aanraking brengt mij tot leven;
de warmte van haar handen maakt mij helemaal levendig.
Haar omhelzing koestert me, lichaam en geest;
elk deel van mijn lichaam reageert op haar aanraking.
De schoonheid van haar gezicht is meer dan ik kan verdragen;
in haar staren verdrink ik.
Als zij mij aanschouwt
kan ik geen weerstand bieden.
Als zij vraagt om mijn liefde
verbrokkelt al mijn weerstand;
mijn hoogmoed en mijn beheersing zijn volledig opgelost.
O God, ik ben bang voor uw vreselijke genade;
ik vrees mijzelf op te geven.
Als ik in de sterke stroming van uw liefde val,
zal ik dan aan de omhelzing kunnen ontsnappen?
Maar hoe kan mijn Beminde weigeren,
en hoe kan ik me onttrekken aan de Ene naar wie mijn hart verlangt?

- Janet Morley -

Gaat de heldere morgenster op in mijn ziel

Uit: D. Sölle, De Heenreis. Gedachten over religieuze ervaring, Baarn 1976, p. 81.

Waarlijk, Heer, ik zoek en vind in mij een wel heel groot verschil. Voel ik mij verlaten dan lijkt mijn ziel op een zieke, die niets smaakt, die alles tegenstaat; het lichaam is slap, het gemoed zwaar; in mij heerst hardheid des harten, buiten heerst droefheid. Wat ik ook zie, hoor en weet, het verdriet mij, hoe goed het ook zijn moge, want ik weet niet, hoe ik mij moet gedragen; gemakkelijk verval ik in fouten, besluiteloos gedraag ik mij tegenover mijn vijanden, lauw en koud ben ik tegenover alle goede dingen. Wie tot mij komt, vindt het huis leeg; de heer des huizes is niet thuis, hij die goede raad zou kunnen geven en door wie de huisgemeenschap blij gestemd raakt. Gaat echter de heldere morgenster op midden in mijn ziel, dan is alle leed verdwenen, alle duisternis verlicht, de hemel wordt helder en vrolijk en mijn hart lacht; gemoed en ziel verheugen zich in mij; het is mij zo feestelijk te moede en alles wat aan en in mij is wordt u tot een loflied. Wat zwaar, moeizaam, onmogelijk was, wordt licht en aangenaam: vasten, waken, bidden, lijden, vermijden en alle strenge dingen in de levenshouding worden tot niets in uw aanwezigheid. Zelfs de stoutmoedigheid leeft in mij, die mij in de verlatenheid ontbroken heeft. De ziel wordt zo doordrenkt met helderheid, waarheid, vriendelijkheid, dat ze alle moeite vergeet. Ik kan met vroom hart zonder moeite beschouwen, met de tong vol zelfverzekerdheid spreken, met het lichaam alles behendig aanpakken en ieder die mij zoekt, vindt voor al wat hij wenst, verstandige raad. Mij is dan te moede alsof ik over tijd en ruimte heengegroeid ben en in de voorhof van de eeuwige zaligheid sta. Ach Heer, wie verleent mij het voortduren (van deze toestand)? Want gezwind is het op een ogenblik weer voorbij en sta ik daar, onbedekt en verlaten, soms bijna alsof ik dat geluk nooit beleefd had tot het dan na zware zielestrijd weer terugkeert.

- Heinrich Seuse (1295-1366) -

God rijpt

Zelfs wanneer we elke diepte zouden afwijzen:
wanneer een gebergte goud bevat
dat niemand nog opgraven wil,
zal eens de rivier het aan het daglicht brengen
die in de stilte der stenen binnendringt,
de krachtige.

Ook wanneer wij niet willen:
God rijpt.

- Rainer Maria Rilke -

Over de vurigheid van Jan van Ruusbroec

De woorden vloeiden hem dan (wanneer hem om een woord gevraagd was; AP) zo overvloedig en gemakkelijk uit de mond, als was hij een vat vol jonge wijn, waarvan de naden barsten door de gisting. Zo waren de woorden uit zijn mond, als hij tot ons sprak over de Heer Jezus Christus. (...) Soms waren zijn woorden zo vurig, dat ze zelfs een hart van steen konden beroeren en dat hij vuur kon slaan uit een kei.
   Andere keren kwam er geen woord uit zijn mond, zelfs al waren er hoge en bekende personen op bezoek. Het was dan alsof hij nooit enig licht van de Heilige Geest had ontvangen. Als hem dit overkwam, dan nam hij zijn hoofd tussen zijn handen, om het inwendig licht terug te vinden. Maar als het hem niet werd gegeven, zei hij zonder schaamte: 'Kinderen, wil het mij ten goede duiden, het zal niet voor deze keer zijn.' En na de aanwezigen te hebben gegroet, ging hij heen.
   Andere keren kwamen sommige medebroeders met spreken na het avondofficie. Dan werden zij inwendig zo diep getroffen door zijn woorden over Gods liefde, dat zij tijd en (nachtelijk) uur vergaten en wakend bleven luisteren. Toch waren zij nadien in staat met grote aandacht het nachtelijk officie bij te wonen.

Verstrooiingen tijdens het gebed

En mocht het ook gebeuren, dat u gedurende de getijden of uw gebedsoefeningen verstrooiende gedachten of inbeeldingen te binnen vallen, om het even vanwaar zij komen, wees, zodra gij dat gewaar wordt en gij weer tot uzelf komt, daarover niet beangstigd; want zij zijn ongestadig. Keer u integendeel met hartelijke aandacht tot God. Want al toont de vijand u zijn kraam en zijn koopwaren, zolang gij ze niet opzettelijk en met liefde van hem koopt, zal er u niets van bijblijven.

- Jan van Ruusbroec -

Leven in God én leven in onszelf

Uit 'Vanden blinckenden steen', p.75-76.

Zo leven wij geheel in God
in zoverre als wij onze zaligheid bezitten,
en geheel in onszelf
in zoverre als wij ons in de liefde tot God oefenen.
En al leven wij geheel in God en geheel in onszelf,
toch is dit maar één leven.
Maar het wordt op tweevoudige wijze,
ja als tegengesteld aangevoeld.
Want arm en rijk,
hongerig en verzadigd,
werken en rusten:
deze dingen zijn radicaal tegengesteld.
En toch ligt hierin de hoogste heerlijkheid
die wij kunnen bereiken,
nu en in de eeuwigheid.
Want wij kunnen volstrekt niet God worden
en onze geschapenheid verliezen:
dat is onmogelijk.
Van de andere kant:
bleven wij helemaal in onszelf,
van God afgezonderd,
dan moesten wij ellendig zijn en onzalig.
Daarom moeten wij
ons geheel in God gevoelen en geheel in onszelf;
tussen die twee gevoelens vinden wij niets anders
dan de genade van Godswege
en de minne-beleving van onze kant.

- Jan van Ruusbroec -

De vereniging met God

Ontleend aan 'Vanden blinckende steen', p.85-86.

[Wanneer we een schouwend leven leiden voelen we ons]
één met God.
Want langs de overvorming Gods
voelen wij ons verzwolgen
in de grondeloze afgrond van onze eeuwige zaligheid,
waar wij tussen God en ons
geen onderscheid meer kunnen vinden of waarnemen.
Dat nu is ons opperste gevoel,
dat wij anders niet bezitten kunnen
dan in ontzonkenheid van minne.
Als wij
in ons opperste gevoel getrokken en verheven worden,
zijn al onze krachten in wezenlijke genieting werkeloos,
maar ze gaan geenszins te niet;
want dan verloren wij onze geschapenheid.
En zolang wij met neigende geest en open ogen
zonder overdenking van het verstand
in ledigheid volharden,
mogen wij schouwen en genieten.
Maar van het ogenblik af,
dat wij willen onderzoeken en ontleden
wat wij eigenlijk ervaren,
vallen wij terug in de werkzaamheden van de rede.
Dan vinden wij onderscheid en andersheid
tussen ons en God,
en dan vinden wij God
buiten ons
in al Zijn onbegrijpelijkheid.

- Jan van Ruusbroec -

Het goddelijk vuur in onszelf ontsteken

Deze "woestijnmoeder" stond in de traditie van de woestijnvaders, de eerste christelijke kluizenaars die in de 4e en 5e eeuw n.C. in de woestijnen van Egypte leefden.

Wie God nadert zal in het begin hard moeten vechten en veel lijden; maar daarna valt hem een onuitsprekelijke vreugde ten beurt. Je kunt het vergelijken met iemand die een vuur wil aansteken. Aanvankelijk slaat de rook die persoon op de adem en schieten zijn ogen vol tranen; totdat hij zijn doel bereikt. Zoals geschreven staat: "Onze God is een verterend vuur" (Hebr. 12:24), zo moeten ook wij het goddelijke vuur in onszelf onsteken door tranen en hard werken.

- Amma Syncletica -

God in goede en slechte tijden liefhebben

Uit Theologia Deutsch (een anoniem mystiek geschrift uit het eind van de 14e eeuw). Vertaling uit "Theologia Deutsch. Ein Grundschrift deutscher Mystik. Herausgegeben und eingeleitet von Gerhard Wehr", Dingfelder Verlag, Andechs 1989, p. 59-60.

Wij willen zó gestreeld worden, dat wij grote smaak en zoetheid en lust in onszelf vinden; dan denken wij dat het helemaal in orde is met ons. Maar dit is nog ver verwijderd van het volkomen leven. Want wanneer God ons in een hard leven trekken wil - dat is: in een ontberen en ontledigen van het eigene in geest en natuur - en Hij ons zijn troost en zoetheid onttrekt, dan is het ons wond en pijnlijk en kunnen wij ons daarin niet schikken. Dan vergeten wij God, verwaarlozen onze oefening en wanen ons totaal verloren. Dat is een groot gebrek en een kwaad teken. Want een waarlijk liefhebbend mens heeft God of het eeuwige goed even lief in hebben als in ontberen, in zoet als in zuur, in lief als in leed.

- Theologia Deutsch -

Elk schepsel is een woord van God en een boek over God.
- Anthony de Mello -

Roemi: Juwelen
Een dagboek met 365 fragmenten van wijsheid. Nederlandse vertaling door Sipko den Boer en Aleid C. Swierenga
Cover van Roemi: JuwelenDeze tweede bloemlezing uit het werk van Roemi is even mooi en inspirerend als "Roemi
Meer...

WaalWeb Internetproducties
Zinrijk Webtechniek
© 2006-7

 

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.